Op de Publiek domein dag op 14 oktober onderzoeken Iris de Veer en ik in een workshop de veranderdrift in het publieke domein. Aan de hand van enkele actuele discussies over onderwijs houd ik in onderstaande discussiebijdrage de dominante zingeving aan verandering tegen het licht: een tour van achterstandsangst naar kansdwang.
Achterstanden en buitenstaanders
In ‘Reinventing Government’ beschrijven Osborne en Gaebler de toestand aan middelbare scholen in Harlem. Geweld was aan de orde van de dag, van leren kon geen sprake zijn. Een kleine revolutie was nodig om daar verandering in te brengen en die revolutie kwam. Docenten maakten kleine, veilige scholen met veel persoonlijke aandacht. Leraren manageden zelf hun school en maakten keuzes die de energie losmaakte om een verandering ten goede nu eens door te zetten. Goede scholen floreerden en slechte scholen raakten ‘out of business’.
Scholen zijn plaatsen waarin de dromen en de hoop, maar ook de nachtmerries en de teleurstelling van onze samenleving samenkomen. Dat maakt discussies over onderwijs beladen.
Op de lokale zender geeft een vrouw les aan haar pupillen. Ze vertelt dat er grote verschillen zijn in Nederland en dat iedereen die verschillen zou moeten koesteren. Ze spreekt verzorgd Nederlands en de klas luistert aandachtig. Er is echter iets vreemds in de wisselwerking tussen beeld en geluid. Ze draagt traditionele kledij, haar haar is bedekt, zij draagt een gewaad tot op haar voeten en de meisjes in de klas zien er precies hetzelfde uit. Alle hoofddoeken zijn zelfs op dezelfde wijze gevouwen. Alleen de jongens verschillen in hun kleding niet echt van hun autochtone leeftijdsgenoten. De cameraploeg is dan ook niet gekomen voor het geluid, maar voor het beeld. Dit is de As-Siddieq school. Hier wordt vormgegeven aan een islamitische droom van een goede opleiding in een wereld die overwegend ‘haram’ (zondig) is.
Opwinding en verontwaardiging buitelen over elkaar heen in het publieke debat. Deze school dient tot verdraagzaamheid te worden gedisciplineerd. We leiden toch niet op voor segregatie? In de discussie komt alles samen waar het steeds over gaat als we het over ‘onze’ kinderen hebben: hoop voor de toekomst, angst voor een staat van ontbinding, een sterke focus op kunnen en kansen. En de angst die daarmee gepaard gaat: dat gemist kansen niet meer goed gemaakt kunnen worden.
Gewicht en interventieplicht
Er is weinig lichtvoetig aan het debat over onderwijs. Het gewicht van de hele samenleving hangt eraan. Dit gewicht culmineert in een niet aflatende stroom van ideeën en voorstellen. Soms zijn die voorstellen voor daadwerkelijk beter onderwijs, maar vaker zijn het afgeleide ideeën. Andere sturing, een ander concept, andere organisatie, andere financiering of een ander stelsel. Soms gaat het om betere condities voor het onderwijs, maar even zo vaak gaat het om grotere controle.
De hoeveelheid veranderingen (en de snelheid waarmee ze worden doorgevoerd) is inmiddels een probleem op zichzelf geworden. Daarin staat de school overigens niet alleen: politie, welzijn, zorg, voor jeugd of voor ouderen, cure of care: overal in het publieke domein waar hoop en angst samen komen, zien we hoe nobele intenties uiteindelijk leiden tot ontregelende interventies,. Niets doen is geen optie, iets doen is te weinig en dus wordt er ingegrepen. Het liefst stevig, bij voorkeur effectief, maar altijd met de vaste overtuiging dat de oorspronkelijke machteloosheid door de juiste interventies kan worden opgeheven en ongrijpbare dynamiek kan worden getransformeerd tot maakbare situaties.
De ontregeling is misschien wel dit: de dromen gaan niet over de maakbaarheid van situaties, maar over de potenties van het kind. De angsten gaan niet over de controleerbaarheid vanuit de staat, maar om de kansen in de samenleving. Haast ongemerkt schuiven wij echter van het een in het ander. Die verschuiving vindt vaak plaats aan de hand van op zichzelf goede vragen. Zoals ‘wat gaat u hieraan doen?’ of ‘hoe denkt u deze misstand te beëindigen?’ Vanaf het moment dat iemand zichzelf de eigenaar van het antwoord op die vragen acht, wordt hij of zij ‘leider’, verlosser of, iets prozaïscher, ‘iemand die zijn verantwoordelijkheid neemt.’
Vanaf deze verschuiving krijgen interventies een centrale plaats in het denken over de complexe vraag die voorligt. ‘Wat kunt u doen?’, is een wezenlijk andere vraag dan ‘wat is hier aan de hand?’ De eerste vraag stellen we aan bestuurders, de tweede aan deskundigen en commentatoren. (opvallend vaak wordt de tweede vraag aan deskundologen overigens vervangen door ‘wat zou de bestuurder moeten doen?’) Wie besturen opvat als een interventiekunde heeft veel aandacht voor de eerste vraag en weinig geduld met de tweede. Ongeduld is dan ook het populairste antwoord als een solliciterend manager of bestuurder wordt gevraagd naar zijn slechtste eigenschappen.
Vrijheid en kansdwang
Malcolm Gladwell beschrijft in ‘Uitblinkers’ hoe in de South Bronx een zogeheten Kippschool leerlingen klaarstoomt voor de toekomst. De resultaten zijn buitengewoon, zeker gezien de leerlingensamenstelling. De school vergt dan ook nogal wat van de leerlingen. Voor luisteren is er een protocol genaamd SLANT: Sit up, Listen, Ask questions, Nod when being spoken to, Track with your eyes. Een schooldag duurt van 725 tot 1700 uur, daarna is er nog huiswerk. Veel leerlingen zijn op diezelfde dag nog zo’n twee uur kwijt aan reizen, zodat zij ’s morgens om half zes hun bed uit moeten. In de zomer gaan de leerlingen drie weken langer naar school, dan de gemiddelde Amerikaanse middenschool, let wel het gaat om kinderen van negen tot 13 jaar.
Mijn ambivalentie over deze KIPPschool is enorm. Geweldig dat deze kinderen een kans hebben om zich te emanciperen, maar wat vreselijk dat ze hun jeugd kwijt raken. Dan weer: wat elitair om op zo’n vrijblijvende manier naar hun jeugd te kijken. Wat is immers het alternatief? En dan, toch, een hartgrondig: gadverdamme wat een kansdwang.
Deze ambivalentie is, geloof ik, de meest ‘eigen’ houding in het hele debat over onderwijs. Zeker als ik dit debat naar mijn eigen kinderen toebreng. Hun leven is te waardevol om kansen te vergooien en hun jeugd is te kort om hen beiden te onderwerpen aan kansdwang. Het is voor mij allebei waar en ik geloof dat ik mijn kinderen tekort zou doen als ik een radicale keuze tussen beiden zou maken. Het is deze ambivalentie die mij op afstand houdt van de hevige discussies over de staat van het onderwijs. Voor mij hoort het vormgeven van ambivalenties bij het leven. Voor de ‘stevige’ politici, bestuurders en hun commentatoren draait het om het realiseren van ambities. Complexiteit is daarbij eerder lastig, dan verrijkend. Een veelgebruikte zin in de 2e kamer is dan ook ‘Het is van tweeën één’. Deze versimpeling is niet alleen onlogisch (het is natuurlijk gewoon van tweeën twee), het haalt ook de rem van de veranderambities van politici, bestuurders en managers. En ik denk dat die rem gezond zou zijn voor de staat van het onderwijs.